Persbericht: Loont passie? Licht op de sociaal-economische positie van kunstenaars in Vlaanderen

Facts & figures over het sociaal-demografisch profiel, activiteiten, inkomsten

Dinsdag 22 november 2016 — Vandaag werd het onderzoek ‘Loont passie? Een onderzoek naar de sociaal-economische positie van professionele kunstenaars in Vlaanderen’ voorgesteld in Muntpunt in Brussel door Vlaams minister Sven Gatz en initiatiefnemers Kunstenpunt, Kunstenloket, Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF), Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL), Sociaal Fonds voor de Podiumkunsten (SFP), ACOD-Cultuur, Overleg Kunstenorganisaties (oKo) en het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media.

Het onderzoek toont dat de arbeidsmarkt van de kunsten gekenmerkt wordt door een hoge mate van projectmatig werk, met creaties op eigen initiatief, een aaneenschakeling van opdrachten van korte duur en bij verschillende opdrachtgevers. De antwoorden van meer dan 2.700 kunstenaars op een online-enquête werpen een licht op de sociaal-economische realiteit van de kunstenaars in hun atypische arbeidsomgeving. De resultaten laten interessante verschillen zien tussen de onderzochte disciplines ‒ film, beeldende kunsten, literatuur, muziek en podiumkunsten. Maar er zijn ook algemene vaststellingen te maken.

Kunstenaars combineren diverse jobs en tonen zich ware ‘ondernemers’

Kunstenaars hebben in de regel verschillende jobs naast en na elkaar, binnen en buiten de kunsten, uit artistieke interesse en uit financiële noodzaak. Lesgeven is voor velen een belangrijke nevenactiviteit, naast hun artistieke werk. Ruim 40% van de beeldend kunstenaars en van de schrijvers en illustratoren heeft een niet-kunstgerelateerde job. Dit geldt ook voor ongeveer 30% van de muzikanten en componisten, 27% van de filmmakers en 25% van de podiumkunstenaars. Kunstenaars zijn naast hun hoofddiscipline ook regelmatig actief in andere kunstdisciplines. Podiumkunstenaars wijken het vaakst uit naar andere kunstvormen: meer dan drie op de vier zijn ook actief in (vooral) beeldende kunst, muziek en film. Als ‘ondernemerschap’ staat voor het vermogen om de nodige middelen (mankracht, financiële en materiële middelen) te mobiliseren om eigen plannen te kunnen realiseren, tonen kunstenaars zich ware ondernemers. 

Kunstenaars werken en leven in onstabiele omstandigheden

In het systeem van projectmatig of flexwerk blijkt het moeilijk om een zeker en voldoende hoog inkomen op te bouwen. Hoewel kunstenaars (net) meer dan de helft van hun tijd aan artistiek werk besteden, zijn hun inkomsten voor minder dan de helft afkomstig uit die activiteiten. Slechts een kleine groep van kunstenaars haalt zijn of haar inkomsten enkel en alleen uit zijn of haar artistieke werk. Bij de filmmakers gaat het om 20%. Voor auteurs en illustratoren, muzikanten en componisten, beeldend kunstenaars, podiumkunstenaars en acteurs zijn de percentages respectievelijk 12%, 12%, 11%, 10% en 8%. Kijken we naar alle activiteiten binnen de kunsten[1], dan zien we dat de helft van de filmmakers en artiesten uit de muziek hun volledige inkomen uit de artistieke sector haalt, bijna een derde van de beeldend kunstenaars en ongeveer een vierde van de literatoren en podiumkunstenaars.

Een blik op de totale netto-inkomsten[2] voor wie werkt in het statuut van werknemer[3], leert dat beeldend kunstenaars het laagste netto jaarinkomen hebben, met een mediaan op € 13.786. Een kwart van hen heeft een jaarinkomen van € 7.000 of minder. Daarop volgen de mediaannetto-inkomens van de podiumkunstenaars (€ 17.142), de regisseurs en scenaristen (€ 18.000) en de acteurs (€ 19.000). De kunstenaars uit de literatuur en de muziek die onder het statuut van werknemer werken, zitten relatief het hoogst met een mediaan van ongeveer € 20.000. In vergelijking met andere sectoren op de arbeidsmarkt zijn dit beperkte inkomsten. Zo ligt de mediaan van het netto belastbaar inkomen van alle belastingplichtigen in inkomstenjaar 2013 op € 24.664. Hierbij is het belangrijk op te merken dat kunstenaars beduidend hoger geschoold zijn; meer dan 75% van hen heeft een diploma hoger onderwijs in tegenstelling tot 40% van de Belgische bevolking. Kunstenaars zijn dan ook ontevreden over de onzekerheden eigen aan de job en over de hoogte van het totale inkomen. Meer dan een kwart van de alleenstaande kunstenaars geeft bovendien aan niet rond te komen. Desalniettemin stelt ruim de helft van de kunstenaars nooit te overwegen om te stoppen. Een minderheid stelt dat vaak te overwegen (6%), een aanzienlijke groep (39%) stelt dat soms te doen.

Het blijkt voor vrouwen moeilijker om zich te handhaven in de kunstensector. De beroepen in film en muziek blijken erg ‘mannelijk’, met meer dan 70% mannen. Terwijl de verdeling in de beeldende kunst, podiumkunsten en literatuur 50/50 is. Achter deze gelijke verdeling op groepsniveau schuilt echter een sterke uitval van vrouwen doorheen de leeftijd. De genderloonkloof die we kennen van de reguliere arbeidsmarkt, tekent zich ook duidelijk onder kunstenaars af. De genderkloof is het kleinst bij de jongste groep (-35 jaar), en wordt groter bij de oudere groepen. Film en muziek kennen een oververtegenwoordiging van mannen, maar de genderkloof in inkomsten is hier kleiner dan in de beeldende kunst en literatuur, waar de kloof het grootst is. In de leeftijdsgroepen van 35-44 jaar en 55-64 jaar verdienen mannelijke schrijvers en illustratoren bijna het dubbele van de vrouwelijke.

Passie maakt kwetsbaar

Kunstenaars zijn bijzonder tevreden over de inhoudelijke kenmerken van hun job. Hun grote gedrevenheid maakt hen echter kwetsbaar. Negen op de tien kunstenaars vinden hun werk als kunstenaar inhoudelijk uitdagend en interessant en zijn tevreden over de artistieke aspecten gerelateerd aan de job. Ruim acht op de tien loven de mogelijkheden tot zelfontplooiing. Het onderzoek toont dat kunstenaars heel wat artistiek (en gerelateerd) werk leveren waar geen vergoeding tegenover staat. Met name de kern van het artistieke werk – onderzoek, ontwikkeling en creatie – wordt relatief weinig vergoed. Vergoedingen voor presentatiemomenten zijn couranter, behalve in de beeldende kunst. Achter dit fenomeen schuilen verschillende verklaringen. Een daarvan is dat de grote drive van kunstenaars hen in een zwakkere positie plaatst bij onderhandelingen en het mogelijk maakt om financiële risico’s op hen af te wentelen. Uit de studie komt ook een duidelijke vraag van kunstenaars naar afspraken over minimumvergoedingen voor bepaald werk naar voren.  

Minister van Cultuur Sven Gatz zet sinds het begin van de legislatuur in op diverse financiële ondersteuningsmogelijkheden voor kunstenaars.

“Het beroep van kunstenaar is een unieke loopbaan die, zo blijkt ook uit het onderzoek, met veel passie en tevredenheid wordt beoefend. Tegelijk hebben kunstenaars ook een uitzonderlijke beroepscontext, die de nodige ondersteuning vraagt. Wie kunstenaar wil worden, kiest voor een job waarin hij of zij flexibel moet zijn. Financiële onzekerheid gaat bij wijze van spreken gepaard met het genot van een grote persoonlijke vrijheid, engagement en de hoop op erkenning. Ik vind het belangrijk om naast de gekende subsidies ook andere ondersteunende maatregelen uit te werken, want: zonder kunstenaars, geen kunst en zonder kunst geen cultuur,” zegt minister Gatz.

Zo kunnen kunstenaars via het Kunstendecreet kortlopende en meerjarige beurzen aanvragen. Met een beurs kan een kunstenaar letterlijk tijd kopen, en zich focussen op zijn of haar werk en artistieke ontwikkeling en verdieping. Ook projectsubsidies en binnen- en buitenlandse residenties zijn hier belangrijk.

Bij de beoordeling van de structurele werkingssubsidies binnen het Kunstendecreet werd rekening gehouden met criteria als ‘aandacht voor een correcte vergoeding van kunstenaars’ en ‘ondersteuning van kunstenaars, met specifieke aandacht voor startende kunstenaars’ om de kunstinstellingen en de kunstenorganisaties met een werkingssubsidie attent te maken op hun verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de uitbouw van duurzame carrières van kunstenaars.

De minister benadrukt dat het belangrijk is dat de grote Kunstinstellingen en kunstenorganisaties de verantwoordelijkheid hebben om startende kunstenaars te steunen en jonge initiatieven een podium te geven. Ze moeten daarbij ook oog hebben voor ondersteuning van andere aspecten binnen de artistieke praktijk zoals zakelijke leiding, productiebegeleiding, netwerking en communicatie. Nog voor het einde van het jaar zal met alle kunstinstellingen een beheersovereenkomst worden afgesloten waarin deze opdracht opgenomen wordt.

Daarnaast wil de minister ook inzetten op aanvullende financiering. In 2018 zal hij starten met de ‘Cultuurbank’ (werktitel). Die zal instaan voor diensten van kredietverstrekking. Het gaat daarbij om microkredieten voor kleine projecten tot risicokapitaal voor grote projecten en dit voor de hele cultuursector. Zowel individuele kunstenaars als organisaties zullen een lening kunnen aangaan bij de ‘Cultuurbank’.

De ‘Cultuurbank’ zal ook, samen met een inhoudelijke partner die instaat voor de spreiding van kunst, vanaf 2018 verantwoordelijk zijn voor de financiële opvolging van de kunstkoopregeling. Kunstliefhebbers die een bepaald werk van een beeldend kunstenaar willen kopen, kunnen via de kunstkoopregeling een rentearme lening afsluiten. Via de kunstkoopregeling krijgen de beeldend kunstenaars een financieel duwtje in de rug. 

Een andere voor kunstenaars nuttige en nodige vorm van microfinanciering is de Kunstenaarstoelage. Het gaat om een tijdelijk overbruggingskrediet dat kunstenaars op weg wil helpen bij een project of investering. De kunstenaarstoelage is momenteel nog opgenomen in het Kunstendecreet, maar zal een nieuwe betekenis krijgen binnen het cultuurbeleid rond aanvullende financiering en cultureel ondernemerschap.

Verder wil de minister de beeldend kunstenaars ondersteunen met de herinvoering van de aankoopregeling hedendaagse kunst. Hiervoor maakt hij jaarlijks minstens € 100.000 vrij.

Naast de financiële ondersteuning zal er sterker ingezet worden op gerichter advies en begeleiding. Zo krijgt het Cultuurloket (nu nog Kunstenloket) een belangrijke taak om kunstenaars uit de cultuursector wegwijs te maken in de juiste statuten en vergoedingswijzen en hen zo te helpen om effectief sociale rechten op te bouwen. Het Cultuurloket moet in 2018 operationeel zijn.

Met de invoering van de tax shelter podiumkunsten wordt de mogelijkheid gecreëerd om investeerders een aantrekkelijker fiscaal kader te bieden om podium- of theaterwerk financieel te ondersteunen. “Door deze bijkomende private middelen kan er een boost gegeven worden aan de podiumkunsten, wat de werkgelegenheid en de correcte vergoedingen van werknemers en freelancers ook ten goede komt. De gesprekken hierover met de federale bevoegde minister verlopen gunstig. Verwacht wordt dat de eerste dossiers in de loop van 2017 ingediend kunnen worden,” aldus de minister.

Samen met de Franse Gemeenschap en de federale overheid wil minister Gatz bekijken hoe de knelpunten m.b.t. de regelgeving van het statuut van de kunstenaar (o.a. sociale zekerheid, BTW, personenbelastingen) kunnen weggewerkt worden. “Ik ben alvast tevreden dat de Commissie Kunstenaars, op initiatief van collega De Block opnieuw aan de slag is gegaan. Door een onvolledige wetgeving en een gebrek aan budget kon de commissie geen beslissingen nemen. Kunstenaars kunnen nu opnieuw een passend statuut bekomen,” zegt minister Sven Gatz.

[1]i.e. naast het werken als kunstenaar ook gerelateerde activiteiten als lesgeven, productiewerk, promotie voeren en lezingen geven.

[2]i.e. inkomsten uit alle bronnen - werk (artistiek en niet-artistiek), beurzen, auteursrechten, kleine vergoedingsregeling (KVR), werkloosheidsuitkeringen etc. - minus de beroepskosten.

[3]Het volledige onderzoek bevat ook gegevens over zelfstandigen, al dan niet in bijberoep.

Over het onderzoek

De studie is een realisatie van de vakgroep Sociologie van de UGent (CuDOS) in opdracht van en in samenwerking met de Vlaamse overheid (Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media), Kunstenpunt, Kunstenloket, Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF), Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL), Sociaal Fonds voor de Podiumkunsten (SFP), ACOD-Cultuur, Overleg Kunstenorganisaties (oKo). De onderzoekers verwerkten de antwoorden van 92 regisseurs en scenaristen, 716 beeldend kunstenaars, 308 auteurs (fictie) en illustratoren, 899 muzikanten en componisten en 391 podiumkunstenaars. In 2014 werd een gelijkaardige studie gerealiseerd over acteurs. Met het onderzoek willen de opdrachtgevers beter inzicht krijgen in de positie van kunstenaars om de ondersteuning van hun artistieke praktijk te verbeteren en om bij te dragen aan het debat over de arbeidsmarkt van morgen.

Meer informatie/Volledige (deel)rapporten

Dit bericht belicht slechts een klein deel van de resultaten van het volledige onderzoek. Alle resultaten ‒ inclusief focussen op de verschillende kunstdisciplines zijn te raadplegen in het onlinedossier van Kunstenpunt via de site van het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media of op de webpagina’s van de andere opdrachtgevers.

Published with Prezly