Ook aspirant-leraren lezen minder boeken

De Vlaamse leerlingen lezen minder goed en minder graag. Dat weten we uit internationaal vergelijkend onderzoek. De redenen voor deze ‘ontlezing’ zijn blijkbaar overal te vinden: thuis, op school, in cyberspace. Nieuw onderzoek (in opdracht van het Vlaams Fonds voor de Letteren, Iedereen Leest en CANON Cultuurcel) maakt duidelijk dat ontlezing ook voor de Vlaamse lerarenopleidingen een uitdaging is. Ze zetten het thema bovenaan hun prioriteitenlijst.

Welke plaats krijgt leesbevordering momenteel in de Vlaamse lerarenopleidingen bachelor- en master? Welke factoren beïnvloeden de integratie van leesbevordering in deze opleidingen? En wat is nodig om leesbevordering op een optimale manier centraal te stellen in de Vlaamse lerarenopleiding? Deze drie vragen werden eind 2018 voorgelegd aan 64 lerarenopleiders van 11 Vlaamse hogescholen en 4 universiteiten. De volgende opleidingen werden bevraagd:

17 docenten taal niveau kleuteronderwijs

3-jarige bacheloropleidingen

11 hogescholen

27 docenten taal niveau lager onderwijs

14 docenten Nederlands niveau secundair onderwijs

6 docenten Nederlands niveau secundair onderwijs

1-jarige opleiding voor masterstudenten

4 universiteiten

Het onderzoek werd uitgevoerd door Jan T’Sas (Universiteit Antwerpen) en gebeurde volgens een kwalitatieve methode met focusgroepen, interviews en schriftelijke bevragingen. Dit zijn de belangrijkste conclusies:

Welke plaats krijgt leesbevordering momenteel in de Vlaamse lerarenopleidingen?

  1. De lerarenopleiders bachelorniveau vinden leesbevordering bijzonder belangrijk. Taaldocenten gebruiken daartoe tal van didactische strategieën en materialen en ook niet-taaldocenten stellen lezen centraal in hun vak. Een minpunt is echter dat slechts een minderheid van de opleidingen een expliciet uitgeschreven en breed gedragen visie heeft op leesbevordering. Daardoor zit het vooral buiten te taalvakken weinig verankerd in het curriculum.
  2. In de universitaire lerarenopleidingen is leesbevordering minder prioritair en een visie hierop ontbreekt zelfs. Daar zijn twee redenen voor: de opleiding duurt één jaar i.p.v. drie, waardoor er minder tijd is voor leesbevordering/motivatie, en de leerplannen van het hoger secundair onderwijs (waar deze studenten meestal terechtkomen), zetten vooral in op leesanalyse. Wel proberen deze opleiders de literaire blik van hun studenten zoveel mogelijk te verruimen (“Er is meer dan de literaire canon”).

Welke factoren beïnvloeden de integratie van leesbevordering in de lerarenopleiding?

  1. De opleiders hebben steeds minder tijd om hun studenten voor lezen te enthousiasmeren. Bij curriculumhervormingen wordt steeds meer ingezet op afstandsonderwijs, waardoor het aantal contacturen afneemt. Daardoor kunnen opleiders hun functie als rolmodel voor lezen minder goed waarmaken.
  2. Budgetten en middelen voor leesbevordering zijn, op enkele uitzonderingen na, vrij beperkt. De grote meerderheid van de opleiders heeft geen zicht op de beschikbare budgetten of geeft aan dat er geen budget voor leesbevordering bestaat. Uitzondering zijn twee hogescholen, die over een vrij groot, gedifferentieerd leesbudget beschikken. In de meeste opleidingen ontbreken ook aangepaste leeslokalen.
  3. Veel studenten zijn geen grote lezers, zelfs zij die expliciet kiezen voor de opleiding leraar Nederlands. Ofwel hebben de studenten nooit veel boeken gelezen, ofwel zijn ze erin ontmoedigd op school of thuis. Slechts een minderheid noemt zich ‘boekenwurm’. Het gevolg is dat velen een oppervlakkige leeservaring hebben en weinig literaire bagage.

Het probleem stelt zich minder in de opleiding op masterniveau, waar veel studenten Taal en letteren zitten; zij hebben een bredere literaire achtergrond.

  1. Er zijn grote verschillen tussen de stagescholen, waardoor studenten daar niet altijd de beste voedingsbodem krijgen om rond leesbevordering te werken. Op het niveau kleuter- en lager onderwijs kennen de opleiders absolute pareltjes onder de scholen/leraren. Maar er zijn er ook klassen waar boekenhoeken niet bestaan en waar lezen een achteraf-activiteit zonder meerwaarde is. Wel zien de lerarenopleiders zien in het algemeen een positieve, zij het trage evolutie van meer aandacht voor lezen op school.

In het secundair onderwijs is het beeld eveneens wisselend. Klaslokalen van het secundair onderwijs zijn bovendien in het algemeen minder sterk ingericht; de ‘boekenkast’ ontbreekt of is inhoudelijk verouderd.

  1. Schoolboeken sluiten niet altijd aan bij de moderne didactische principes die studenten in de opleiding meekrijgen, focussen te weinig op leesmotivatie of zijn gewoon verouderd. Lerarenopleiders willen meer betrokken worden bij de samenstelling van schoolboeken.

Wat is nodig om leesbevordering op een optimale manier centraal te stellen in de Vlaamse lerarenopleiding?

  1. De meeste lerarenopleiders ervaren een gebrek aan stimuli en maatregelen vanwege onderwijskoepels, onderwijsoverheid én de eigen instelling. Leesmotivatie staat volgens hen onvoldoende centraal in de eindtermen en leerplannen. In sommige opleidingen stelt het beleid andere prioriteiten, waardoor leesbevordering onvoldoende ruimte krijgt. Nieuwe prioriteiten waar de overheid de voorbije jaren heeft op ingezet, zijn STEM, burgerschap, diversiteit enz., maar leesbevordering ontbreekt in dit lijstje.
  2. Over samenwerking met externe partners reageren de opleiders zowel positief als negatief. Positief zijn de vele leesbevorderende initiatieven vanwege de cultuursector. Toch voelen opleiders zich niet allemaal voldoende betrokken of geïnformeerd. Op het lokale bestuursniveau vallen grote verschillen op: in de ene stad of gemeente is er een intense samenwerking met de bibliotheek, het cultureel centrum, de uitgeverij, terwijl dat elders veel minder is. Er is vraag naar afstemming over steden en gemeenten heen.  In het algemeen ervaren de opleiders wel een kloof met zowel de educatieve als de literaire uitgevers.
  3. De lerarenopleiders pleiten voor een geïntegreerde aanpak op verschillende niveaus. Er is behoefte aan een een leesbeleidsplan vanuit een breed gedragen visie. Leesbevordering inbedden in een breder taal- en evaluatiebeleid zou nog sterker zijn. De opleiders appreciëren wel de initiatieven die hiervoor al genomen zijn, zoals de recente oprichting van een denktank rond leesbevordering, waarin de meeste lerarenopleidingen vertegenwoordigd zijn en de toename van wetenschappelijk onderzoek rond dit thema.

Met de invoering van de educatieve master, vanaf september 2019, zouden ook de universitaire lerarenopleidingen meer armslag kunnen krijgen, bijvoorbeeld via nauwere samenwerking met opleidingen Taal en letteren.

  1. Ten slotte is de lerarenopleiding  slechts één van de spelers is op het leesveld. Ook zij kan in haar eentje niet het verschil maken.

 

Quote Sven Gatz, vice minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel :

“Voor een verrijkende en prettige leeservaring zijn fantasie, nieuwsgierigheid en inzicht nodig. Om van jongs af aan de rijkdom van boeken te ontdekken is meer nodig dan technische leesvaardigheid. Op de thuissituatie na blijkt het onderwijs de beste omgeving te zijn om de eerste leescompetentie en -beleving op te doen. Er valt echter nog een wereld te winnen wanneer verschillende partijen binnen en buiten het onderwijs elkaar beter zouden weten te vinden, niet in het minst de culturele- en jeugdsector. Met de versterkte aandacht voor een volgend leesbevorderingsplan van de Vlaamse Regering en een meer geïntegreerd, coherent en domeinoverschrijdend beleid gericht op leesplezier, willen we lezen weer hip en plezant maken.”

Quote Hilde Crevits, vice minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs :

 "Lees een boek en je ontdekt een nieuwe wereld. Je verrijkt jezelf met nieuwe ideeën, inzichten of simpelweg met het genot van een spannend verhaal. In de nieuwe eindtermen Nederlands staat leesmotivatie dan ook expliciet opgenomen. Verschillende lerarenopleidingen maar ook scholen zetten nu al goed in op het versterken ervan. Iets wat zelfs al begint met de leesouders in de kleuterklas. Ook initiatieven zoals 'De Bib op school' of de jeugdboekenmaand worden door heel wat scholen gesmaakt. Toch is het werk nooit af en is het ook belangrijk dat de komende jaren verschillende partners uit de cultuur,- jeugd en onderwijssector samenwerken om ervoor te zorgen dat elke leerling de liefde voor het lezen leert ervaren."

Contacteer ons
Eva Vanhengel Woordvoerder Sven Gatz
Eva Vanhengel Woordvoerder Sven Gatz
Over Sven Gatz

Sven Gatz
Minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel
Koolstraat 35
1000 Brussel